Beleid kinderopvangtoeslag


Wanneer krijgt een ouder kinderopvangtoeslag?

De rijksoverheid draagt bij aan de kosten van kinderopvang middels een kinderopvangtoeslag voor ouders. Ouders komen hiervoor in aanmerking als ze werken of onder andere bijzondere voorwaarden (opleiding of begeleiding op weg naar werk). Soms kan de ouder bovenop deze bijdrage binnen de gemeente ook een aanvraag doen voor een aanvullende bijdrage, indien de ouder aan de voorwaarden hiervoor voldoet. Voor Amsterdam vind u de voorwaarden en aanvraag optie hier. 

Een aanvraag en wijziging geeft u door via mijn toeslagen.nl 

Wijze van berekening kinderopvangtoeslag (Direct berekenen, klik hier)

De kindertoeslag wordt berekend op basis van het inkomen van ouders. Voor ouders met 2 of meer kinderen in de opvang is de bijdrage hoger. Voor het bepalen van de hoogte op basis van fiscale inkomen worden tabellen gehanteerd, die jaarlijks worden gewijzigd. Berekening vind plaats op basis van het uurtarief van de kinderopvang x het aantal uren opvang per maand, met voor beide een landelijk maximum (uurtarief 2018: €7,45, maximum aantal uren opvang per maand 2018: 230). Dit maximum uurtarief is voor mensen in Amsterdam overigens nadelig, omdat de overall kosten van organisatievoering in Amsterdam hoger zijn, en de uurtarieven van veel andere kinderdagverblijven in Amsterdam daarom dus vaak boven het landelijk maximale uurtarief uitgaan. Tot 2010 nam de hoogte van de vergoeding toe of bleef gelijk. Van 2010 tot 2016 zijn deze neerwaarts bijgesteld. In 2016 is deze weer lichtjes toegenomen, en verder toegenomen in 2017 en in 2018 min of meer gestabiliseerd, behalve dat het max. uurtarief met 3,5% is omhoog gegaan. 

Financieringsfilosofie Wet Kinderopvang

In de Wet Kinderopvang is de financiering geregeld, welke mede voortkomt uit de filosofie van vraagfinanciering. Dit is een visie op financiering die ervan uitgaat dat met vraagfinanciering de overheid beter kan sturen op een aanvullende meerwaarde, omdat de primaire marktpartners sterker op elkaar zijn aangewezen. De ouder voelt zich dan meer eigenaar. Vandaar ook dat de overheid er veel aan doet om ouders in een sterke positie te brengen, dat is onderdeel van deze filosofie. De wisselwerking tussen aanbieder en ouders als afnemer dient dan te zorgen voor een kwaliteitsprikkel, zodat de overheid minder zou hoeven moeten doen.

Kinderopvangtoeslag, centraal in kosten en baten kinderopvang

Kinderopvangtoeslag, centraal in kosten en baten kinderopvang

Dragen werkgevers nog wel bij?

Ja! De Wet Kinderopvang gaat er vanuit dat ouders, overheid en werkgevers gemiddeld een derde betalen. Het aandeel van de werkgevers was voorheen vrijwillig. Die vrijwilligheid is per 2007 vervallen en wordt nu collectief geïnd en verdeeld via basale premies in de loonbelasting, die voor iedere werkgever (en dus ook werknemer) gelden, ongeacht afname kinderopvang. Tot 2014 ging deze via een opslag op de WW premie, een sectorpremie genoemd. Per 2014 wordt deze geïnd via de basispremie WAO/WIA, die zowel in 2014 als 2015 0,5% besloeg. Ofwel de werkgever betaald bovenop het bruto salaris 0,5% daarvan voor kinderopvang.  

Berekening en vergelijkbaarheid toeslag 

De toeslag & berekeningsgrondslagen veranderen jaarlijks.

Sinds 2011 is de vergelijkbaarheid problematischer omdat het maximale tarief niet langer wordt geïndexeerd, en de tegemoetkoming sinds 2012 wordt gekoppeld aan het aantal uren van de minst-werkende partner (+40% i.v.m. o.a. reistijd). De structuur van toeslag bestaat uit:

A – Een vast bedrag van 1/6 deel, het werkgeversdeel uit de sectorpremie op de ww in de loonheffing.

B – Een gerelateerd deel o.b.v. 1) gezamenlijke inkomen & aantal dagen dat beide partners werken, 2) aantal kinderen dat gebruik maakt van opvang en 3) het aantal afgenomen uren, uurtarief of maximale uurtarief.

Kosten baten afwegen kinderopvang

Kosten baten afwegen kinderopvang

Ontwikkeling toeslag 2008-2018 in hoogte ouderbijdrage

Als grondslag voor onderstaande vergelijking is een berekening gehanteerd op basis van een fictieve vaste zelfde prijs vanaf 2008 van 1350 euro per maand voor 4 dagen per week. Hierbij is dus geen rekening gehouden met inflatie van jaarlijks circa 2% en andere kostenstijgingen. 

Een ouder met een verzamelinkomen van normbedrag per 2008 van €17.000 per jaar (dit normbedrag is in 2018 verhoogd tot €18.849) betaalde als ouderbijdrage (de kinderopvangtoeslag is dus 100% min percentage ouderbijdrage): 

  • In 2008 €54 per maand (4%).
  • In 2010 €90 per maand (6,6%)
  • In 2011 €137 per maand (10%)
  • In 2012 €575 per maand ofwel 26% (42,6%) voor eerste kind, tweede 40%
  • In 2013 €125 per maand (9,3%)
  • In 2014 en 2015 idem, €125 per maand (9,3%), afgezien van indexering normbedragen. 
  • In 2016 €94,5 per maand (7%) bij een max. inkomen van niet 17k maar €18.176
  • In 2017 €81 per maand (6%) bij een max. inkomen van €22.178
  • In 2018 €81 per maand (6%) bij een max. inkomen van 23.870

Bij een inkomen van 50.700 van twee ouders was dat in 2008

  • In 2008 €229 ouderbijdrage per maand (17%)
  • In 2010 €291 per maand (21,5%)
  • In 2011 €372 per maand (27,5%)
  • In 2012 €892 per maand, (66,1%) voor eerste kind, tweede 46,2%
  • In 2013 €517 per maand (38,3%) voor eerste kind (bij normbedrag 52.292-55.002), 2e kind 13,4%.
  • In 2014 en 2015 €425 per maand, ofwel 31,5%, alleen indexering normbedragen anders. 
  • In 2016 €366 per maand (27,1%), met normbedrag niet 50,7 maar €52.305
  • In 2017 €320 per maand, ofwel 23,7% (normbedrag max. 53k).
  • In 2018 €319,95 per maand, ofwel 22,8% (normbedrag max. 54.242)

Voor twee ouders met een gezamenlijk inkomen van 70.000 was dat

  • In 2008 €391 per maand (29%)
  • In 2010 €491 per maand (36,4%)
  • In 2011 €605 per maand (44,8%)
  • In 2012 €1140 per maand (84,5%)
  • In 2013 €774 per maand (57,3%), tweede kind 17,3%
  • In 2014 en 2015 €699 per maand, ofwel 51,8%, alleen met andere normbedragen vanwege beperkte indexering. 
  • In 2016 €621 per maand (46%) met normbedrag niet 70k maar €72.327
  • In 2017 €594 per maand (44%).
  • In 2018 €517 per maand (39,7%)

Vanaf een inkomen vanaf €103.00 en hoger was de bijdrage vast 18% voor het eerste kind tot en met 2015 (afgezien van indexering van het inkomen). Met een uitzondering in 2012, toen was de bijdrage 0% vanaf een inkomen van €94.428 en hoger. En vanaf 2018 is deze bijdrage 33,3% vanaf inkomens van €105.006 en hoger.

Voor de toptarieven is vanaf een bepaald niveau de bijdrage voor het eerste kind gefixeerd op een bepaald minimum percentage, en loopt deze voor het tweede kind verder af van medio 84 naar 64% (omdat de bijdrage voor het tweede kind relatief hoog is).

Tot en met 2015 was de bijdrage voor het eerste kind voor een topinkomen van €103.000 vast 18%, met een uitzondering in 2012, toen de bijdrage 0% was vanaf een inkomen van €94.428. In 2012 is de vraag dan ook sterk gedaald naar kinderopvang. In 2016 was het 107.115, en is de gefixeerde bijdrage verhoogd naar 23,8% voor het eerste kind. Voor het tweede kind is deze 82,8% bij een inkomen van €103k, afnemend tot een inkomen van €177.000, vanaf dan is de bijdrage voor het tweede kind 64% en daalt niet verder. In 2017 is de laagste bijdrage voor topinkomens verhoogd naar 33,3% vanaf een inkomen van €99.999, dit is in 2018 verder gehandhaafd, waar de bijdrage voor en tweede kind dan nog 84,2% is, welke bijdrage tot het hoogste inkomen van €180.419 verder verlaagd tot een minimum van 64%.

Ontwikkeling in afname kinderopvang

De vraag naar kinderopvang is sinds 2009 niet zo laag geweest als in 2015 landelijk genomen. Wat wij vanuit Bartele in Amsterdam hebben waargenomen is dat de vraag vanaf 2010 is afgenomen, en per maart 2012 gekelderd. Per maart van het jaar hebben mensen 2 tot 3x hun nieuwe salaris en uitgaven gezien en kunnen dan besluiten nemen. Dit komt overeen met de grote verlaging in 2012 van de toeslag, zoals te zien is in het plaatje hierboven. In 2014 nam de vraag naar kinderopvang landelijk met 72.000 af ten opzichte van 2012. Sinds 2015 neemt de vraag niet verder af, en neemt sinds 2016 en 2017 verder toe, zoals Gjalt Jellesma, voorzitter van Boink in 2013 ook voorspelt had.